Schaatsen Scandinavië 1880-1900
Algemeen 1880-1900
Wie na de daverende opleving van het schaatsen in de jaren 1860-1880 een gestage groei en ontwikkeling van de ijssport in de breedte had verwacht, kwam bedrogen uit. Zowel het hardrijden als het kunstrijden floreerden, maar het werden vooral in Noorwegen en ook wel in Zweden disciplines voor echte sportfanaten, die bereid waren te investeren in training.
Veel Scandinaviërs die voor hun genoegen een beetje actief wilden zijn in de gezonde winterlucht stapten over op de ski. Door verbeterde bindingen zaten ski’s vaster aan de voet, waardoor de skisport steeds populairder werd.
Daarnaast (of mede daardoor?) bleek het schaatsen organisatorisch gezien niet overal te gedijen. IJsclubs gingen soms ter ziele en opvolgers kwamen vaak moeilijk tot stand. Desondanks stond de ontwikkeling van de schaatssport tussen 1880 en 1900 niet stil. Integendeel.
Noorwegen - schaatsen niet langer dé volkssport
In Noorwegen is schaatsen als volkssport letterlijk van de baan. Men skiet en is, wat het schaatsen aangaat, vooral toeschouwer. Rijen dik soms, zoals bij de tweekamp tussen Axel Paulsen en Renke van der Zee in 1885 op het zee-ijs van Frognerkilen. Renke vertegenwoordigde op zijn houten Friese schaatsen het verleden, Axel op zijn bootmodel, de voorloper van de noor, de toekomst. De toekomst won. Afb.1
Vanaf het einde van de tachtiger jaren nam de interesse voor de ijssport in het huidige Oslo hoe langer hoe meer af. De Christiania Skøiteklub hield zelfs tijdelijk op te bestaan.
Het is opvallend dat er in Noorwegen geen schaatsenrijderswalsen werden uitgegeven in deze periode. Bladmuziek met composities voor schaatsenrijders zijn een graadmeter voor de populariteit van het kunstrijden in een land. Uit Denemarken (3) en Zweden (3) zijn ze wel bekend. Er verscheen in Noorwegen ook geen enkel boek met instructies voor schaatsenrijders, in tegenstelling tot de al genoemde buurlanden. Misschien speelde daarin mee dat Noorwegen tot 1905 geen zelfstandig land was, maar onderdeel van Zweden. Bovendien zijn de Scandinavische talen zo aan elkaar verwant dat Noren moeiteloos Deens en Zweeds kunnen lezen.
Axel Paulsen, van alle markten thuis
Jarenlang speelde Axel Paulsen een grote rol in de ontwikkeling van zowel hard- als kunstrijden. Niet alleen als sporter, maar ook als uitvinder, kunstrijder, hardrijder, ontwerper, variétéartiest en koopman. Axel Paulsen was van alle markten thuis. Bootmodel, olieschaats, achteruitrijdschaats, sneeuwschaats, drakenschaats. Axel Paulsen kon op alle schaatsen uit de voeten. Zijn voornaam is verbonden met de - nog altijd enige - verplichte sprong die voorwaarts wordt ingezet. De noor, het model schaats dat ruim honderd jaar lang in de mode zou blijven, droeg aanvankelijk zijn achternaam.
Jong geleerd
Axel Paulsen werd in 1855 in Kristiania geboren. Net als zijn leeftijdgenootjes schaatste hij rond zijn zevende op randskøiter, de korte schaatsen met geut, die toen nog gangbaar waren. Zijn vader kwam echter al snel op het idee - mogelijk onder invloed van geïmporteerde buitenlandse modellen - om schaatsen met hogere en bredere ijzers zonder geut en met afgeronde achterkant te construeren. Die waren vermoedelijk bedoeld voor het kunstrijden. Op 6 maart 1870 werd Axel eerste bij wedstrijden voor jongens boven de 14 jaar, zowel bij het rijden van figuren als op de langebaan. Tien jaar nadien versloeg hij in Kristiania de latere Poolreiziger Fridjof Nansen op de 5000 meter. Nadat hij al menige prijs had gewonnen, stimuleerde zijn vader Axel deel te nemen aan buitenlandse wedstrijden, die door dooi echter steeds in het water vielen.
De jonge locomotief
Fabricaat A. STØREN, KRISTIANIA
Collectie Oslo Skøytemuseet
Pas in 1882 bij de eerste internationale kampioenschappen in Wenen kon hij laten zien wat hij waard was. Hoewel zijn landgenoot Peder Aune vooraf de beste indruk had gemaakt, won ‘de jonge locomotief’, zoals de Weners Axel noemden, het hardrijden moeiteloos op zijn houten renschaatsen op pootjes, die tamelijk lange, dunne en relatief lage ijzers hadden. Afb.2
Bij het kunstrijden bleek dat de Weense school verplichte figuren eiste die de Noren helemaal niet kenden: derde plaats voor Paulsen. Hij kreeg wel een extra prijs voor de beste speciale oefening: de beroemde en al genoemde axel, destijds een regelrechte sensatie.
uitgevoerd als onderschroefmodel door de firma L.H. Hagen uit Christiania.
Paulsen reed in Wenen op vaste schaatsen van A. Støren.
De Oostenrijkers reden hun bevallige figuren op het Jackson Haines-model, Paulsen maakte zijn ‘woeste’ sprongen op de veel grovere en geutloze kunstschaatsen van A. Støren, die vast aan zijn laarzen waren geschroefd. Afb.3
Het avontuur tegemoet
Het jaar daarop stak Paulsen voor het eerst de grote plas over naar Noord-Amerika. Hij nam de gelegenheid te baat en liet er een paar sneeuwschaatsen maken. Maar daarvoor was hij natuurlijk niet gekomen. Bij wedstrijden op de kleine Canadese indoorbaantjes - ’s nachts zette men de ramen open voor een vloertje van natuurijs! - maakte hij echter niets klaar tegen de bochtenduivels op hun korte schaatsen.
In 1884 was hij beter voorbereid en koos hij voor wedstrijden in de Verenigde Staten. Daar werd op buitenbanen van grotere omvang gereden en was Paulsen op zijn lange schaatsen Afb.4 iedereen verreweg de baas. Schoenschaatsen om te racen gebruikte de ‘Champion Skater of the World’ toen nog niet. Daarmee kwam de man, die inmiddels als beroepsrijder werd beschouwd, een jaar later.
Harddraver in de baan
In januari 1885 stond Paulsen op de Heiligengeistfeld-Eisbahn van Hamburg wel tegenover een heel opmerkelijke tegenstander. Het ging om een weddenschap over vijf ronden op de grote sledenbaan tegen de als bijzonder snel bekendstaande harddraver Hans. Paulsen won het spektakel met tien meter voorsprong, mede omdat het paard tamelijk onrustig was en de bochten niet goed kon houden. Wie weet testte Paulsen daar zijn befaamde bootschaatsen Afb. 5 waarop hij een maand later Van der Zee klop gaf op het zachte ijs van Frognerkilen.
Oslo Skøytemuseet
Bij wedstrijden op de Grote Wielen bij Leeuwarden die eraan voorafgingen, was Paulsen niet van start gegaan. Hij vond de hoefijzervormige bocht te krap. Of was dat een flauw excuus omdat hij onder de indruk was geraakt van de snelle Friezen op de kortere afstanden?
Glazen vondst
In 1886 kondigde Paulsen een ‘glasschaats’ aan! Met een dikke, goedgeslepen glazen strip die onderin het schaatsijzer was gevat, dacht hij bij strenge vorst minder last te hebben van de wrijvingsweerstand van het ijs. Een succes zal het niet geweest zijn, want van de glazen schaats werd niets meer vernomen.
Bron: Johan van Buttingha Wichers - Schaatsenrijden, p. 260
Concurrentie op twee fronten
De jonge Harald Hagen, kwam in het seizoen 1885-1886 met een eigen model buisschaats Afb.6 die een stuk lichter was dan de bootschaats. Hierdoor werd Paulsen gedwongen om ook zijn schaatsen aan te passen. Het enige aspect waarin het nieuwe ‘model Paulsen’ nog verschilde van de later zo bekende noor, zoals de Noorse schaats kortweg werd genoemd, was eigenlijk de lage haksteun. Paulsen reed namelijk nog op echte laarzen met een forse hak er onder.
Al vroeg in het seizoen 1886-1887 kwam het tot een confrontatie tussen de twee matadoren en hun ultramoderne modellen. Hagen versloeg Paulsen op de 25 km, maar enkele weken later waren de rollen op veel kortere afstanden omgedraaid. Paulsen kroop daarmee door het oog van de naald. Hij had namelijk een nieuwe, lucratieve reis naar Amerika op stapel staan en bij verlies had hij zich niet langer kunnen afficheren als wereldkampioen.
Rivaliteit op de tekentafel
De concurrentieslag tussen de twee topschaatsers werd niet alleen op het ijs, maar ook op de tekentafel uitgevochten. Na Hagens schaatsen van fosforbrons zette Paulsen de volgende stap in de strijd tegen de wrijvingsweerstand. Begin 1888 introduceerde hij een model met oliereservoir Afb.7 inclusief verhoogde haksteun, waar hij in tegenstelling tot zijn vroegere ontwerpen gelijk patent op aanvroeg.
Loon voor zijn volhardende werk aan de eerdere modellen, waar soms flinke financiële opofferingen aan waren verbonden, heeft hij nooit kunnen oogsten. Anderen, die met meer financieel talent waren uitgerust, wisten steeds van zijn uitvindingen te profiteren. Of de olieschaats hem, hetzij financieel, hetzij sportief, wel hielp, valt te betwijfelen. Op de 10 mijl (ruim 16 km) werd hij duidelijk geklopt door Hagen. Afb.8
Collectie Oslo Skøytemuseet
In een wedstrijdje achteruitrijden, waarvoor hij speciale schaatsen had laten maken Afb.9 was Paulsen echter oppermachtig.
Variété
In deze fase van zijn carrière legde de Noor zich steeds meer toe op dit soort variéténummers. Dit blijkt ook uit het arsenaal aan schaatsen dat hij nodig had om zijn beroep te kunnen uitoefenen:
- een paar kunstschaatsen voor hard ijs
- idem voor zacht ijs
- een paar lange schaatsen voor hardrijden op ruw ijs
- een paar kortere schaatsen voor hardrijden op glad ijs
- een paar voor achteruitrijden
- een paar sneeuwschaatsen
- een paar rolschaatsen met twee wielen voor hardrijden
- idem met drie wielen voor kunstrijden
- idem met één wiel voor kunstrijden
Op dat laatste paar rolschaatsen, waarop hij pas in de zomer was gaan oefenen, gaf hij in oktober 1888 al een voorstelling in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam.
De winter bracht Paulsen door in Amerika. Hier kwamen zijn kortere schaatsen ongetwijfeld goed van pas, alhoewel hij nog altijd weigerde om wedstrijden op baantjes van minder dan 1/6 mijl (268 meter) te rijden. Het jaar daarop had hij zich zelfs semipermanent gevestigd in Minneapolis. Maar al voordat hij een 10-mijlswedstrijd tegen McGormick verloor, begon zijn reputatie als hardrijder ook hier flink te slinken.
In 1892 - terug in Noorwegen - werd de 36-jarige opgevoerd als pauzenummer bij serieuze races. Hij reed de halve mijl (804,5 meter, dus zeg maar twee volle ronden op een moderne wedstrijdbaan) achterwaarts met vliegende start in de destijds onvoorstelbaar snelle tijd van 1.27,2! ‘We hopen dat onze lezers niet denken dat we liegen’ voegde het belangrijkste Noorse sportblad eraan toe.
Om bij gebrek aan ijs op de weg te kunnen trainen ontwierp hij een nieuw paar sneeuwschaatsen. Afb.10 Niet tevergeefs, want een goede conditie was onontbeerlijk in een wintercampagne met voorstellingen in Hamburg, Kopenhagen, Lund en Parijs. In februari 1893 sloot hij een serie optredens af in Le Pôle Nord, de kunstijsbaan van de Franse hoofdstad, waar hij samen met zijn landgenoot Carl Aamann uitbundig werd toegejuicht.
Collectie Oslo Skøytemuseet
vermoedelijk naar ontwerp van Axel Paulsen
Collectie Oslo Skøytemuseet
Drakenschaats
In de nadagen van zijn loopbaan vond Paulsen het nog de moeite waard om voor dit soort gelegenheden honderden kronen te investeren in een nieuw paar kunstschaatsen. Bij Heide & Gustafson werd er in 1893 maanden gewerkt aan wat niet alleen ‘het duurste, maar ook het mooiste en stevigste paar schaatsen ter wereld’ werd genoemd. Een afbeelding van dit fraais kon er jammer genoeg niet van af bij Norsk Idrætsblad.
Dat geeft ruimte voor speculatie: was het laatste kunstje van ontwerper Paulsen misschien de eerste drageskøite? Afb.11
Volgens het Duitse tijdschrift Wassersport was de schenkel mooi verguld en werd het model ‘Viking’ genoemd.
De drakenschaats is later in productie genomen door de firma L.H. Hagen & Co. en was rond 1905 twee tot vijf keer duurder dan de meeste andere kunstschaatsen.
Zweden: Hans T. Næss neemt initiatief in Stockholm
De voorstellingen van Haines hadden in Stockholm kennelijk niet voor de vereiste impuls kunnen zorgen. Naast de elitaire Kungliga Skridskoklubben en een wirwar van kleine particuliere baantjes op de baai van Nybroviken was een goed georganiseerde ijsclub voor de middenklasse dringend gewenst. Die kwam pas van de grond nadat de roeivereniging vanaf de herfst van 1880 enkele jaren het goede voorbeeld had gegeven. Voortrekker van de Roddförenings skridskobana Afb.12 was Hans T. Næss, die enkele jaren later in 1884 ook betrokken was bij de oprichting van Stockholms Allmänna Skridskoklubb (S.A.S.K.).
Twee jaar daarvoor had hij zijn instructieve boekje Skridskosporten gepubliceerd, met een voorwoord van schaatspionier Cederblom, die schaatsen de nationale sport van Zweden noemt, zeer geschikt om nare gemoedsaandoeningen te verdrijven. Skridskosporten richtte zich volledig op het kunstrijden en was qua uitvoering met tal van schetsmatige figuren op een zwarte achtergrond schatplichtig aan Spuren auf dem Eise (1881) van Diamantidi uit Wenen. Afb.13
Als stelschroef G wordt aangedraaid,
krijgt het loopvlak meer ronding.
In de jaren daarna ontwikkelde het Zweedse kunstrijden zich razendsnel. Douglas Adams, lid van de London Skating Club en schrijver van Skating (1890) keek er zijn ogen uit en raadde zijn lezers aan om de wedstrijden in Stockholm eens bij te wonen. ‘Je leert er meer van dan van welk boek ook.’ De Engelsman was met name onder de indruk van de schaats van Richard Krause uit Gothenburg, waarbij de ronding van het loopvlak kon worden ingesteld zonder de schaats af te hoeven binden! Afb.14
Adams zag ook dat de Zweden geweldige toe spins in huis hadden: ‘Het is prachtig om te zien hoe ze met grote snelheid op de punt van de schaats springen en rondcirkelen als tollen.’
Het was nog maar een voorproefje van wat nog komen zou. Nog geen tien jaar later was Henning Grenander wereldkampioen en stond de hegemonie van Ulrich Salchow, de meest succesvolle mannelijke kunstschaatser ooit, op punt van beginnen. De twee sterren van het Zweedse kunstrijden rond de eeuwwisseling reden op verschillende modellen, die allebei in productie werden genomen door B. & O. Liberg uit Eskilstuna. Afb.15+16
Catalogus Liberg 1907, no. 63
Catalogus Liberg 1907, no. 73
Toeren op de Balcken of militärskridsko
Ook het toerschaatsen groeide in populariteit. De geheel metalen schaats van Cederblom werd verschillende keren in aangepaste vorm op de markt gebracht door B. & O. Liberg. Afb.17 Uitvoering no. 64 raakte bekend onder verschillende namen, zoals militärskridsko en Balcken. De naam ‘Balcken’, ook wel ‘Balckska’ of ‘överste Balcks modell’ verwijst naar Viktor Balck, de grote sportpionier, die in Zweden een vergelijkbare rol speelde als Pim Mulier in Nederland. De naam doet echter geen recht aan de werkelijke uitvinder. Balck zelf schrijft in zijn memoires:
Catalogus Liberg 1907, no. 64
Bron: V. Balck, Idrottsbok
‘Professor Cederblom en ik hebben samen het huidige model (toerschaats) getest, dat ten onrechte nog de Balckska wordt genoemd, want het is uitsluitend Cederbloms verdienste dat deze schaats is uitgevonden. Zijn wetenschappelijke en praktische experimenten liggen aan de constructie ten grondslag, ik was er slechts bij dankzij hem en om het resultaat te testen’.
Ook ijszeilers gebruikten Libergs 64. Afb.18
Denemarken: een ander verhaal
Concurrentie van het skiën speelde niet in Denemarken; schaatsen was de enige wintersport.
Thorvald Groth, zowel kunstschaatser als hardrijder, bracht in 1881 het boekje Skøjteløberkunsten uit met maar liefst 321 figuren. Afb.19
Tabel XVI uit Skøjteløberkunsten van Thorvald Groth.
Hij was aangesloten bij Københavns Skøjteløberforening (KSF), die rond 1880 een prachtige luwe baan had onder de vestingwallen bij het Tivolipark. Na jaar of vijf moest de club uitzien naar een andere locatie en kon uiteindelijk terecht op het oostelijke gedeelte van de Peblingesø, een tweehonderd meter brede gracht. Bij het 25-jarig jubileum van de club, dat in 1895 kon worden gevierd, waren ze er nog altijd gevestigd. We krijgen een indruk van de baan op het omslag van het muziekstuk van clublid Peter Sørensen dat voor die gelegenheid werd uitgegeven. Afb.20