G.Kloezeman reed in 1996 de Elfstedentocht-route 'op eigen houtje'
1. Aanloop
DE DREAM
‘t Is erg om aan de Elfstedentocht mee te doen, maar ... véél erger is het om thuis te moeten blijven!
Een ononderbroken lint van schaatsers
Als je heel je leven al, of althans vanaf het moment in je jeugd - bij mij zo omtrent mijn zesde levensjaar - dat je voor het eerst op schaatsen, houten Friese doorlopers, staat en het gevoel hebt dat je iets “aan het doen” bent dat meer is dan alleen maar de zoveelste sport of simpel tijdverdrijf, dan is het niet zo gek dat je daar op de een of andere manier ook een Droom aan koppelt die je graag in vervulling ziet gaan.
Zucht ... wat een begin. Voor een filmliefhebber zoals ik is het begin van een film, de openingsscène, van groot belang. Je zal mij niet snel vijf minuten te laat een bioscoop zien binnenwandelen. Eenmaal het begin gemist kan een film mij niet echt meer boeien. Een aantal films heeft juist vanwege hun geniale begin blijvende indrukken achtergelaten. Zo kan ik me dus ook voorstellen dat voor veel schrijvers de eerste zin van een roman of verhaal van evenveel gewicht is als het begin van een film voor een regisseur. Veel staat of valt dus met een goed begin. Welnu, als mijn eerste zin kenmerkend mag worden genoemd voor de rest van dit verhaal, dan wens ik de lezer alvast veel sterkte toe.
Die Droom is er niet altijd geweest, zeker niet vanaf dat prille begin; ik weet nog dat ik (als zevenjarig jochie) door mijn vader op diens rug richting kanaal werd gedragen alwaar ik achter een oude keukenstoel moest zien mezelf the noble art of skating aan te leren.
Van schaatsen had mijn vader geen kaas gegeten en op het sportieve vlak had ik - behalve verhalen over vervlogen voetbaldagen - ook niet al te veel van hem gezien.
De enige die in mijn ogen de schaats-eer van de familie in die winter van 1963 hoog trachtte te houden was mijn grootvader, die in een vlaag van acute verstandsverbijstering op vergevorderde leeftijd besloot de stoute schaatsen nog maar eens een keer onder te binden, zijn pijp aan te steken en kaarsrecht - volgens hem de enige echte houding in het leven, dus zeker ook op ‘t ijs - weg te rijden; de rest van de familie sloeg zijn doodsverachting met de schrik om het hart gade en men vreesde met grote vreze voor grootvaders toekomst.
Dat een en ander toch goed heeft uitgepakt is denk ik voor mij niet echt van invloed geweest op mijn verdere schaatsverslaving.
Wat zeker van invloed moet zijn geweest is die winter van 1963 met z’n waanzinnig dikke ijsvloeren, toen zelfs zware landbouwtracktoren met het grootste gemak het ijs sneeuwvrij ploegden voor iets dat, wat ik pas veel later concludeerde, een toertocht moet zijn geweest.
Die ene memorabele zondag in de winter van ‘63 leek ‘ons kanaal’ in bezit te zijn genomen door één groot, ononderbroken lint van schaatsende mensen. Dat heeft ongetwijfeld veel indruk gemaakt op mij; ik heb het grootste deel van die dag vanachter het kamerraam naar de verrichtingen van al die mensen staan turen. Vanuit mijn positie zag ik slechts voorovergebogen bovenlichamen voorbijkomen, maar ik wist zeker dat daar ergens onder zich schaatsen moesten bevinden.
Zoiets te kunnen volbrengen leek een Droom.
Dat je daarvoor wel iets beter moest kunnen schaatsen dan ik kon en bij voorkeur ook nog zonder stoel was me toen reeds duidelijk. Het zou er ooit van moeten komen was mijn stellige overtuiging.
In de loop van de daaropvolgende jaren wordt m’n wereld steeds groter, gaat het schaatsen me steeds beter af en worden de ‘houtjes’ vervangen door professionele ‘noren’ en zie, de tijd wordt er rijp voor ... maar, voor wat eigenlijk?
‘s Winters spreken mensen nog steeds vol bewondering en ontzag over de winter van ‘63, de Elfstedentocht van dat jaar (“dat was pas een echte tocht”) en Reinier Paping, de toenmalige winnaar die een soort van goddelijke status lijkt te hebben bereikt.
Voor mij is Friesland een ander land - iets waar ik na mijn huwelijk wel degelijk anders over ben gaan denken - en de Elfstedentocht komt in mijn belevingswereld niet voor als een of ander heilig doel. Nog niet.
Kansen laten liggen ...
Pas in 1985 zal er iets van nervositeit ontstaan als een van mijn collega’s op school besluit “hem te rijden” en het niet alleen bij dat besluit laat, maar de tocht der tochten ook succesvol beëindigt en ‘uitgerust’ met Zilveren Kruis in Lelystad terugkeert. Daar wordt de kiem gelegd die het jaar daarna al lijkt uit te komen. Volgens vriend en collega N. had ik hem makkelijk kunnen uitrijden.Tja, achteraf ... Zo vaak wordt deze tocht niet verreden en als de kans zich dan in 1986 opnieuw voordoet, probeer ik te lobbyen voor een lidmaatschapsbewijs van de Vereniging “De Friesche Elf Steden”, want lid worden blijkt na de tocht van 1985 een utopie geworden. Het beeld bestaat dat heel schaatsend Nederland lid is dan wel lid wil worden, terwijl er slechts 16.000 gelukkigen mogen deelnemen.
Mijn lobby leidt uiteindelijk tot niets, ik word vervolgens (spontaan) ziek en zie thuis op de bank voor de tv liggend Evert van Benthem voor de tweede maal achtereen winnen.
Ook deze keer zou ik waarschijnlijk best een redelijke kans gemaakt hebben om ... De omstandigheden leken geenszins op die van 1963 en wederom word ik achteraf geconfronteerd met mensen die ook deze tocht met succes hebben uitgereden, mensen waarmee ik me zo op het eerste gezicht schaatsend wel durf te meten.
Wat al die jaren daarna blijft hangen is een katterig gevoel ten aanzien van het fenomeen Elfstedentocht. Ik heb m’n kansen laten liggen, de winters werken niet langer mee en ikzelf koers richting 40ste levensjaar. In 1995, echter, dreigt iets dat door mij als een dolletje op gang is gebracht uit te lopen op een uiterst serieuze onderneming. Ik weet dat N. steeds meer bezeten is geraakt van het verschijnsel schaatsen. Zijn huis lijkt meer en meer op een schaatsmuseum en als er natuurijs ligt in de sloten en vaarten is hij niet langer de oude. Maar N., hoe zit het met nog een keer de Elfstedentocht rijden?
Ik waag het te betwijfelen of die tocht ooit nog een keer komt en daag hem uit voor de alternatieve tocht in Finland. N. hapt onmiddellijk toe en fase twee treedt in werking. Hoe pakken we een en ander aan, wanneer zou het moeten gebeuren, zou collega Dirk-Jan mee willen doen, hoe regelen we de zaken op school, etc.
N. belooft research te gaan plegen.
Een weinig later raadt Okke, een andere collega, ons aan niet naar Finland te gaan maar naar Oostenrijk, daarbij een ietwat aantrekkelijker beeld schetsend: het is er beduidend minder koud, de ijskwaliteit is beter en er is een geringere kans op uitstel c.q. afstel in verband met de ijs- en weersomstandigheden. Voorts is het financieel een stuk aantrekkelijker en nog zo wat zaken van minder zwaarwegend belang. We hoeven niet lang na te denken. Finland wordt Oostenrijk en N. gaat verder met zijn research.
Weer wat later valt ook Oostenrijk af. Ik ben een aantal malen ziek geweest en niet naar mijn werk gegaan en voel me bezwaard 3 dagen vrij te vragen voor onze onderneming. N. en Dirk-Jan hadden deze conclusie al voor mij getrokken en zo leek uitstel tot volgend jaar een eerste optie. Niet volgens N. echter, wiens kennis omtrent de vaderlandse winters tot een uiterst optimistische kijk op de aanstaande winter had geleid: “Hij komt er echt wel dit jaar, let maar op”.
De barometer staat op ‘dreigend’
En hij kwam er inderdaad ... voor ons … en bijna ook voor heel schaatsminnend Nederland. Het plan (fase 3) ontstond dat we als niet-leden op de dag van de Elfstedentocht zouden proberen te starten in Bolsward en van daaruit de hele ronde te volbrengen. We zouden zo geen last hebben van de “witrijders” en, beter nog, zij zouden geen last van ons ‘zwartrijders’ hebben. Maar wanneer durft een Elfstedenbestuur nog een beslissing te nemen omtrent het doorgaan van deze tocht? Voor ons zat hij er aan te komen, maar de definitieve beslissing wilde maar niet vallen. Dan zat er niets anders op dan hem zelf maar te organiseren, voor het echt te laat zou zijn. Zaterdag 3 februari werd in eerste instantie geprikt als de dag waarop het zou moeten gebeuren, start en finish in Leeuwarden, geen concessies.
Als het Elfstedenbestuur eens zo rap zou kunnen beslissen als wij tweeën. Het woord was gesproken en er was rook alom. Niet alleen rook echter. TV-beelden die deze week met meer dan gemiddelde belangstelling werden verslonden deden ernstig gewag van tig-tallen wakken in geheel Friesland, talrijke stukken hopeloos slecht ijs, evenzovele plekken waar gekluund diende te worden en onze animo nam zienderogen af.
Als zelfs een doorgewinterde Elfsteden-crack als Evert van Benthem zijn nood klaagt op tv over de slechte omstandigheden - hij rijdt de tocht samen met een aantal bevriende en uiterst ervaren toerrijders, maar besluit Dokkum links te laten liggen - valt voor ons min of meer vanzelfsprekend het doek.
Maar het blijft wel steeds aardig vriezen en vrijdagavond 2 februari besluiten we ineens toch door te zetten; het zal zondag a.s. dienen te gebeuren. Nu nog langer wachten lijkt een al te groot risico.
Ik begeef me die zaterdag in de loop van de middag richting Leeuwarden alwaar N. inmiddels enige ijsverkenningen uitvoert om zo onze tocht ‘s ochtends in het donker met iets minder vrees tegemoet te zien. We hebben elkaar die ochtend nog toevallig - kan men bij dit soort gebeurtenissen nog wel van toeval spreken? - ontmoet in de plaatselijke HEMA, beiden voorovergebogen bij een rek met batterijen, essentieel voor de zaklantaarns die we bij ons zullen hebben om de volgende ochtend de eerste uren op het ijs zonder al te veel kleerscheuren door te kunnen komen.
Het komt nu ineens allemaal toch wel erg dreigend dichtbij. Tijd om er nog eens echt goed over na te denken is er niet, de spanning stijgt van minuut tot minuut en de barometer thuis staat op ‘dreigend’. Men wordt nerveus van mijn lichtelijk chaotische voorbereidingen en het wordt de hoogste tijd om op te stappen.
2. Onrustig nachtje
Voor iemand die op een MBO-College genaamd ‘t Roer werkt, moet hotel ‘t Anker een aardig onderkomen zijn, tenzij ... je wel erg bezig bent met datgene wat de volgende dag op het programma staat.
Na een simpele begroeting en wat quasi plichtmatige uitwisseling van gegevens over de reis en het Friese ijs besluiten we snel een voedzame maaltijd te nuttigen, onderwijl de kaarten er nog maar eens op naslaand. N. heeft zijn voorbereiding zorgvuldig gedaan. Eenmaal terug op onze kamer dient alles nauwkeurig klaargelegd te worden voor de volgende ochtend van vroeg vertrek. We wensen niet voor onverwachte verrassingen te komen staan. Na een onrustige nacht waarvan ik me kan herinneren dat er een groepje Friezen ‘s nachts voor ons kamerraam luid stond te discussiëren over het feit of je je als Fries nou wel of niet aan die Hollanders diende te verkopen, word ik om 10 over 4 ‘s ochtends wakker, twee minuten voordat onze reiswekker afloopt. We komen ondanks onze gedegen voorbereidingen echter toch nog vrij snel voor een verrassing te staan. Naast onze kamer, op de gang, staat iemand voor de deur van kamer 4 luid voor te lezen uit ... de Bijbel. Het nut hiervan ontgaat me op dit nachtelijk uur, evenals de voorlezer zelf waarschijnlijk, maar ik realiseer me dat op een dag als deze elk beetje hulp, van welke kant dan ook, wel eens zeer welkom zou kunnen zijn.
Om precies 5 uur verlaten we het hotel, hordenlopend over drie paar uitgestoken benen die ons vol bewondering sterkte wensen en waarschijnlijk als we de deur achter ons hebben dichtgetrokken voor compleet gek verklaren.
Ik besef nu wat ik de afgelopen 24 uur al lang vermoedde: het point-of-no-return ligt inmiddels definitief achter ons.
Wat volgt is een ervaring die nog lang zal doorwerken op mijn gemoedstoestand en waar ik tot in lengte van jaren nog van hoop te kunnen blijven genieten.
3. Toverdrank sneuvelt op weg naar Sneek
Eenmaal op straat zijn we ons snel bewust van het feit dat de Goden ons wel eens gunstig gezind zouden kunnen zijn: het is volle maan en er staat geen zuchtje wind. Na een wandeling van precies een half uur door een zo goed als verlaten Leeuwarden, waar af en toe een fietser opdoemt op weg naar huis, belanden we bij het startpunt. Ik voel me ineens erg opgelucht; wandelen is nou niet bepaald een hobby van mij en N.’s voorstel om huppelend en springend, al spierontspannend wat voorwerk te verrichten kon me al helemaal niet bekoren.
Onze angst vooraf voor het in het donker af te leggen traject wordt snel een stuk minder; de volle maan en het feit dat N. de vorige dag reeds een deel van de route richting Sneek heeft verkend geeft een redelijk veilig gevoel.
We zitten nog maar nauwelijks op de beschoeiing onze schaatsen onder te binden of er dient zich een derde persoon aan. Wat we dan nog niet konden vermoeden is dat we de gehele verdere dag met z’n drieën zullen optrekken. N. en ik sluiten stilzwijgend een pact met onze derde man; een goede zet naar later zal blijken.
Schaatsen in het duister met de maan op de achtergrond als stille getuige blijkt een regelrechte sensatie. Er ligt een dun sneeuwdek op het ijs, de volle maan weerkaatst haar licht hierop en rechts van me zie ik donkere silhouetten voortbewegen in wie ik N. en Rens meen te herkennen.
De angst voor valpartijen wordt vreemd genoeg snel een stuk minder. Voor we echter Sneek bereiken hebben N. en Rens al een aantal onvrijwillige valpartijen doorstaan, waarbij ik een paar keer op een haar na gescalpeerd ben door een schaats van Rens. N.’s motto: afstand spaart levens!
Ook voor mij heeft de eerste tegenslag zich reeds ver voor Sneek aangediend. Bij de eerste de beste brug waar ik genoodzaakt ben redelijk door de knieën te zakken, valt mijn bidon - met daarin een weinig mystiek mengsel van geperst sinaasappelsap en een zeer riant aantal scheppen suiker, waaraan ik mijzelf bovenmenselijke krachten denk te ontlenen - uit de achterzak van mijn wielershirt met een klap op het ijs. Ik keer om om hem zo snel mogelijk van het ijs te pakken en de achtervolging in te zetten, maar constateer met een kreun dat de dop van de bidon is losgeschoten en vier-vijfde deel van de inhoud op het ijs is achtergebleven. Deze constatering leidt tot een enorme paniekreactie: hoe moet ik in vredesnaam deze onderneming tot een goed einde brengen als ik al in zo’n vroeg stadium zo’n geducht verlies heb geleden.
Voor mij geldt dat je bij ondernemingen als deze een aantal zekerheden voor jezelf van te voren moet inbouwen; eten en drinken - eveneens in deze volgorde van prioriteit - staan daarbij bovenaan. Je kan altijd onderweg iets te drinken kopen maar als er in de laatste uren een aanspraak wordt gedaan op je laatste reserves dan is een bidon met toverdrank een welkome stimulans voor lichaam en geest. Het psychologisch effect dient niet te worden onderschat!
Veel tijd om over het verlies na te denken krijg ik gelukkig niet. We moeten verder, Sneek en Okke wachten op ons en ik raak snel weer bevangen door de schoonheid van de beelden om ons heen. Ergens bij een rietkraag duikt een kolossale Friese boerderij op uit het landschap. Binnen het silhouet van dit bouwwerk tekent zich het beeld af van twee grote helgeel verlichtte ramen. Het feit dat je op zo’n manier getuige bent van wat hier het normale dagelijkse leven betreft, zonder zelf door wie dan ook te worden waargenomen, fascineert me.
Okke had ons de vorige avond al telefonisch gewaarschuwd dat we vanaf Scharnegoutum onze ogen goed de kost dienden te geven vanwege het feit dat er volgens hem op meerdere plaatsen stenen en planken deels in het ijs ingevroren zaten. Deze mededeling had ongemerkt indruk op mij gemaakt. De angst voor een vroegtijdige uitschakeling door vijandige elementen zat er goed in bij mij. Liever wilde ik sterven in het zicht van Leeuwarden dan hier ‘s ochtends mijn schaatsen aan gort te rijden vanwege het feit dat een simpele onverlaat zo nodig allerlei rotzooi op het ijs had menen te moeten gooien.
4. Getransplanteerde ijsblokken
Mijn extra grote oplettendheid maakte dat we Sneek al binnenreden voor ik er goed en wel erg in had. De eerste stad in het rijtje van elf is een feit en het aftellen, of is het optellen?, kan beginnen. Dat bij het tellen slechts rekening dient te worden gehouden met echte steden, met stadsrechten dus, is voor mij een leerzame opsteker. Met mijn telling zou de route van de Elfstedentocht beduidend minder lang zijn.
In Sneek dienen zich ook voor N. voor het eerst serieuze problemen aan. N. is iemand die bij het uitvoeren van dit soort ondernemingen zijn zaakjes altijd tot in de puntjes heeft geregeld. Nu heeft zijn rugzak het heel recentelijk begeven en dient een en ander met behulp van veiligheidsspelden bij elkaar te worden gehouden. De veiligheidsspelden weigeren in Sneek echter nog langer hun dienst te bewijzen. Tot twee keer toe, kort achter elkaar, stort de rugzak op het ijs. Het lijkt alsof we hier te maken krijgen met een nog regelmatig terugkerende ergernis. N.’s gezicht spreekt boekdelen en enige vindingrijkheid is snel gewenst.
Altijd handig om iemand als Okke in de buurt te hebben. Na de tweede smak bedenkt hij dat het goed zou zijn de veiligheidsspelden te vervangen door een veter…...en welke goed voorbereide schaatsenrijder heeft nu geen reserve-veters bij zich, zeker op een dag als deze? Ik dus!
Als het gaat om het oplossen van dit soort praktische zaken blijkt Okke zeer creatief en vindingrijk ingesteld te zijn; dit heeft hij al eerder bewezen op onze talloze fietstochten in de Zwitserse bergen.
N.’s moraal dreigt het even te begeven na enkele valpartijen van respectievelijk rugzak en schaatser; ik houd mijn hart vast, het is toch echt nog te vroeg voor welke vorm van irritatie dan ook, maar de veter brengt uitkomst. Wat ik dan nog niet weet is dat de in mijn ogen fraaiste val van deze dag nog moet komen, in wat een fraai samenspel van man en rugzak mag worden genoemd.
Met z’n vieren hervatten we onze tocht. Sneek, inmiddels landelijke bekendheid genietend vanwege zijn wakgevoeligheid, ijstransplantaties en de daaruit voortvloeiende aandacht van de media, blijkt uiteindelijk slechts één uiterst moeilijke passage te hebben: een plek waar onlangs getransplanteerde ijsblokken zijn vastgevroren in een onordelijk geheel waar schaatsen meer weg heeft van een levensgevaarlijke survival.
We laten Sneek nu snel achter ons en dienen voor de tweede keer deze ochtend te klunen. Mijn oorspronkelijke tevredenheid over mijn nieuwe schaatsbeschermers zal spoedig omslaan in ergernis. Het kost namelijk nogal de nodige moeite deze met eenvoudige en soepele bewegingen snel onder de schaatsen te bevestigen dan wel te verwijderen. Daar waar anderen, steun bij elkaar zoekend, dit klusje in luttele seconden klaren dien ik eerst een ‘zitplaats’ te vinden om vervolgens met iets van een ‘laat-me-hier-niet-alleen-achter’-gevoel te constateren dat het gat tussen mij en mijn kompanen snel groter wordt. Het vooruitzicht dat er nog veel gekluund dient te worden maakt me niet echt vrolijk, maar zoals al eerder vermeld, het is nog ietwat te vroeg voor ergernis.
Beperken we ons even tot het schaatsen: de tocht blijft een puur genot en de beleving is vele malen intenser dan bij voorgaande tochten op de schaats. Het moet de combinatie zijn van het schaatsen in het donker, hetgeen voelt alsof je onderdeel van een sprookje uitmaakt en het onmiskenbare gevoel dat het hier wel ‘de tocht der tochten’ betreft.
Laat ik proberen niet al te enthousiast te worden. Denkend aan het totaal aantal nog af te leggen kilometers levert dat niet al te veel problemen op.
Voorlopig vliegen we nog over het ijs, althans zo voelt het. Okke, die zijn nut reeds bewezen had bij het bedwingen van N.’s rugzak, zal zijn nut nog vele malen vaker bewijzen bij het oriënteren op de route. N.’s vaar- en schaatskaarten kunnen voorlopig op zak blijven. Okke weet de weg, autorijdend, zeilend, fietsend en dus ook schaatsend. Friesland schijnt weinig infrastructurele geheimen te hebben voor hem. “Links ... rechts ... rechtdoor …”, simpele commando’s die er voor zorgen dat de vaart er aardig in blijft.
5. Angst voor het Slotermeer
In no time zitten we dan ook in IJlst en de dageraad begint zich voorzichtig aan te dienen. Ook hier even fiks klunen maar de indrukken op het netvlies laten deze keer geen ergernis toe. Het lijkt één groot feest te worden. De kwaliteit van het ijs - iets wat ons vooraf, mede door de diverse berichtgevingen van de afgelopen dagen, zorgen had gebaard - blijkt, althans zeker in mijn ogen, enorm mee te vallen. Ik durf te zwieren en mijn slagen af te maken. Een valpartij nu zou het evenwicht danig kunnen verstoren, maar ja, so far, so good.
Af en toe komen beelden boven van de verkenningstocht van Evert van Benthem en een aantal andere (oud-)Elfstedenrijders die woensdag jl. nog voor diverse problemen waren komen te staan. Het beeld van een op het Slotermeer door het ijs gezakte rijder die dank zij de hulp van collega’s weer uit een wak klautert komt zich af en toe opdringen. Geen toeval, we naderen het Slotermeer, tot voor kort nog het grootste wak van Friesland.
De keuze om vandaag een poging te wagen lijkt een voltreffer. Volle maan maakt het vooraf gevreesde gebruik van de zaklantaarn welhaast overbodig, het achterwege blijven van wind maakt dat we het niet (te) koud krijgen en de ijsvloer blijkt de afgelopen dagen aardig te zijn aangevroren. Ik heb nooit de indruk dat ik er wel eens door zou kunnen zakken, een prettig gevoel.
De meeste problemen leveren vooralsnog de Marsrepen en New Energy Bars op. Eenvoudige handelingen zoals het openmaken van de verpakking kosten veelal nodeloos veel tijd en energie, om over het lekker weghappen van deze stijfbevroren delicatessen nog maar te zwijgen. De kwaliteit van het gebit van de doorsnee Elfstedenrijder zal mogelijk een stuk boven die van mij uitstijgen, maar toch ... de slogan “lekker lang lekker” flitst door mijn hoofd alsmede de optie om een van mijn schaatsijzers te gebruiken om de zoveelste k...-reep in stukken te hakken. Echter het risico van een braam en alle daar verder uit voortvloeiende vervelende consequenties plus het feit dat de rest van onze groep hier niet voor op mij zal gaan staan wachten, maken dat ik dus maar in een rustig tempo blijf voortkauwen op een veel te groot stuk wonderchocolade.
We naderen het Slotermeer. Alarmfase 4! Zou het betrouwbaar dichtgevroren zijn? Volgens Okke wel. Wederom blijkt hij gelijk te hebben. Het is nu enkel een kwestie van betrouwbare sporen volgen. Het vertrouwen mijnerzijds dat daar waar sporen zijn je er nooit en te nimmer door zult zakken is grenzeloos, hoe anderen dat idee soms ook proberen te ontkrachten. Welnu, die anderen wegen doorgaans meer dan mijn bescheiden 65 kilo - zouden het er nog steeds 65 zijn? - en hun afzet is veelal ook een stuk krachtiger probeer ik mezelf gerust te stellen.
Het Slotermeer is niet langer een meer, maar één grote ijsvlakte waar we dankbaar gebruik van wensen te maken. We hoeven nu niet links aan te houden om zo veilig onder de wal langs, maar dus wel meer kilometers afleggend, richting Sloten te koersen. We wagen de oversteek, vertrouwend op de soms nog verse sporen van een groepje voorgangers, mogelijk het groepje dat ons in Sneek bij de eerste kluunplaats passeerde.
De kwaliteit van het ijs op het nog niet zo heel lang geleden dichtgevroren meer is verre van ideaal, maar toch slaag ik er in om relaxed schaatsend met redelijke slagen de overkant te bereiken.
N. vreest - onterecht - dat ik af en toe het spoor meer dan bijster raak of misschien vreest hij wel dat ik al te enthousiast raak. We hebben per slot van rekening nog vele kilometers voor de schaatsen. N. is, laat ik dat niet vergeten, de man met de ervaring.
Mijn optimisme moet minstens zo zwaarwegend kunnen zijn. Het gevoel tot nu toe is een nauwelijks te beschrijven gevoel van euforie. Het gaat zo gemakkelijk, de omstandigheden zijn bijna perfect en de beelden onderweg moeten wel blijvende indrukken achterlaten.
6. Langs Beppe in Lemmer?
Eenmaal in Sloten gearriveerd zetten we ons neder bij een hardboard miniatuur van deze derde Elfstedenstad. Het tellen gaat door. We hebben er al drie en alle drie hebben we er nog overduidelijk zin en vertrouwen in. We hoeven het niet te hebben over dingen die niet lekker gaan, we beperken ons tot het uiting geven aan het goede gevoel dat tot nu toe bij een ieder de overhand heeft. Ieder van ons is zichtbaar onder de indruk, mogelijk ook van zijn eigen kunnen. Dat belooft nog wat.
Een boterham later verlaten we Sloten en passeren een schuit waar de bemanning, nog maar net wakker een houtkachel stookt. De penetrante houtlucht bevestigt het gevoel van een primitieve strijd met de elementen. De mens, één met en ook strijdend tegen de natuur. Tot nu toe trekt de natuur geen al te zware wissel op ons. Het is meer een gevoel van één zijn met dan alleen tegen de natuur. Zal onze eigen wispelturige natuur ons geen parten gaan spelen?
Via Sloten, dat al in het geheugen opgesloten zat vanwege eerdere bezoekjes op de fiets of op de schaats, glijden we soepel verder. Grappig dat de naam alleen al voldoende is om allerlei prettige beelden op te roepen. Al te veel tijd om hier bij stil te staan is er echter niet. Als Rens zijn blaas heeft geleegd, zowaar geen eenvoudige opgave - het lijkt alsof hij de honneurs van ons hele groepje waarneemt - pakken we de draad weer op, dit keer richting Stavoren.
De zon begint zijn gezicht te vertonen en het wordt zowaar aangenaam toeven tussen het zacht ritselende riet. Een kleine onoplettendheid, te veel euforie, drukt me letterlijk met m’n neus op de harde feiten; een onvriendelijke scheur ontneemt me tijdelijk het gevoel dat niets meer stuk kan. De klap brengt me weer terug op aarde en ik schaats weer verder op het ijs in plaats van er boven te zweven.
Balk doet vaag aan Sloten herinneren: een kaarsrechte gracht die het stadje doorklieft en bruggetjes die je dwingen nog meer op te letten. Te laat of in het geheel niet bukken zou nu een erg slordige fout betekenen. We zouden niet de eerste zijn die zo aan z’n eind is gekomen.
Na Balk komt de Luts en ik moet onwillekeurig aan een van mijn studenten denken. Dat zal echter de eerste en tevens laatste keer zijn dat school mijn belevingswereld weet binnen te dringen, hetgeen veel over de kwaliteit van deze dag zegt.
Het Gaasterland trakteert ons op een van de mooiste sloten van Friesland.Hier ligt een zojuist geveegde baan op ons te wachten, de scheuren laten ons met rust, ook al probeert Okke af en toe een nieuwe scheur aan het ijs toe te voegen. We schaatsen in de luwte van hoog opgeworpen wallen en ik krijg opnieuw het gevoel dat ik alleen op de wereld ben. Dat blijkt dus mogelijk te zijn in een groepje van vier individuen. Dat de gemotoriseerde baanvegers zo vroeg al aan het werk zijn doet ons deugd en bevestigt het feit dat ze er daar in Friesland zeker nog stellig in geloven dat de tocht der tochten binnenkort doorgang zal vinden. We passeren een groepje shagrokende baanvegers dat zich nauwelijks om ons lij