Spookrijderijen

 

Auteur Niko Mulder

In het hoofdstuk over Hendrick Avercamp in Schaatsenrijden, een cultuurgeschiedenis verzucht Marnix Koolhaas: ‘Bij de overvloed aan schaatsdetails die Avercamp ons voorschildert, missen we toch ook iets. Waarom heeft de ‘Stomme uit Kampen’ nooit een hardrijderij afgebeeld?’ Om die vraag te rechtvaardigen voegt hij er aan toe: ‘Uit schriftelijke bronnen weten we dat er al in de 15e eeuw wedstrijden op de schaats werden gehouden.’

Schaatswedstrijden ontbreken niet alleen bij de meester van het ijsgezicht, maar bij letterlijk alle kunstenaars, van groot tot klein, tot diep in de 18e eeuw. Vanaf kort voor 1500 is honderden jaren lang een vrijwel onbeperkt palet aan winterse vermaken eindeloos in beeld gebracht: van tollen tot kolven, van schaatsen tot curling. Kaak-, prik-, duw-, arren- en baksleden zoeven over de bevroren vlaktes. Baanvegers en bijthakkers sloven zich uit. Het wemelt van de koek-en-zopies, markten, maskerades, ijsfeesten en kermissen. Wintertafereeltjes mogen vaak stereotiepe producten uit commercieel opgezette ateliers zijn geweest, maar toch volgden ze de actualiteit op de voet. Toen er rond 1600 vrij plotseling ijsschuiten verschenen, duurde het niet lang of Avercamp en zijn vakbroeders namen het nieuwe fenomeen op in hun beeldtaal.

Om kort te gaan, de hele mikmak aan vermaken op en om het ijs is weergegeven, maar tot aan 1765 geen enkele hardrijderij. Anders gezegd: we zitten met een ‘wak in het ijsgezicht’ van zo’n 275 jaar!

Afb. 1 - Hardrijderij rond 1765.
Boekillustratie van Rienk Jelgerhuis.
Rijksmuseum Amsterdam RP-P-1882-A-6035
Inkleuring nm

 

Omgekeerde stellingname

Op basis van enkele schriftelijke bronnen hebben we altijd maar aangenomen dat er in de late Middeleeuwen en in de Renaissance wedstrijden op de schaats werden verreden. Laten we er eens 180 graden anders naar kijken. Als er eeuwenlang geen hardrijderij is afgebeeld en al dat andere ijsvermaak wel, moet je haast wel concluderen dat er helemaal geen races zijn geweest, althans niet in georganiseerde vorm. Spontaan opgekomen onderlinge spurtjes zijn natuurlijk van alle tijden: “Zullen we doen wie het eerst bij die brug is?” Dat soort gelegenheidswedstrijdjes laten we hier buiten beschouwing. Ze lieten maar zelden sporen na in de literatuur of in de kunst.

Als er tot aan de 18e eeuw inderdaad geen georganiseerde hardrijderijen waren, moet er iets mis zijn met de oude bronnen die suggereren dat ze wél bestonden. Misschien hebben we ze verkeerd begrepen en zijn we gaan geloven in spookrijderijen, in schaatswedstrijden die helemaal nooit zijn verreden. Om die stellingname te verifiëren zal ik hieronder de belangrijkste bronnen nog eens tegen het licht te houden.

Marathon of pootje lichten op het ijs?

In 1466 verbleef een gezelschap Boheemse gezanten onder leiding van baron Leo van Rozmital achttien dagen aan het Bourgondische hof van hertog Filips de Goede in Brussel. Op de dag van vertrek kreeg men een spektakel voorgeschoteld op het ijs van de vijver in de tuinen van paleis Coudenberg. Václav Šašek, een van Rozmital’s begeleiders, beschreef het schouwspel in zijn reisverslag.

Afb. 2 - Het paleis op de Coudenberg in Brussel gezien vanuit de Warande, ten noordoosten van het hof
Gravure C.J. Visscher naar B. de Momper, situatie vóór 1600.
Collectie Museum van de Stad Brussel
Rechts op de voorgrond de vijver waarop het spektakel op het ijs zich in 1466 heeft afgespeeld.
De vijver is op dezelfde locatie gesitueerd op kunstwerken uit circa 1532 en 1540, alsmede op de kaart van Jacob van Deventer, circa 1560.

Het origineel in het Tsjechisch is verloren gegaan, maar gelukkig bleef een vertaling in het Latijn uit 1577 bewaard. Die was echter bedoeld voor onderwijsdoeleinden en is daarom zeker niet 100 % authentiek. (ref 1) Met elke volgende bewerking kwam er meer ruis op de lijn. De niet bijzonder accurate, zeg maar gerust slordige vertaling naar het Engels van Malcolm Letts (ref 2) werd door Herman Pleij in De Sneeuwpoppen van 1511 (ref 3) naar mijn idee veel te modieus omgezet naar het Nederlands met termen als ‘pootje-over in de bochten’ en ‘een soort marathon … met achtentwintig deelnemers die een groot aantal ronden moesten rijden.’ Helaas was het nu juist Pleij’s interpretatie die bekend raakte onder liefhebbers van de schaatsgeschiedenis en ons deed geloven dat er in 1466 al sprake was van snelheidswedstrijden op de schaats met massastart en veel omlopen, een schaatsdiscipline die we in Nederland eigenlijk pas kennen sinds 1956. (ref 4)

Tegenwoordig rijden marathonschaatsers op ovale banen met vrij ruime bochten en bijna onwillekeurig lijkt dat beeld van het heden door Pleij te zijn geprojecteerd op het verleden.

Het kan geen kwaad dat verleden eerst maar eens naar voren te halen.

Afb. 3 De vijver iets ten noorden van het Coudenbergpaleis aan de rand van de Warande, het jachtterrein van de hertogen van Brabant en Bourgondië en de Habsburgse en Spaanse vorsten.
Uitsnede van de losse kaart van Jacob van Deventer, circa 1555-1560.
Bron: Stedentatlas Jacob van Deventer - Rutte en Van Nieuwenhuyze (2018), p. 75

IJsbaan

Šašek beweert aan het slot van de passage over het ijsvermaak dat hij samen met zijn heer vanaf het paleis naar het spektakel keek. De ijsbaan lag dus vrij dicht bij het gebouwencomplex. Met die kennis kunnen we de vijver traceren op de kaart van Brussel van Jacob van Deventer. (afb. 3) Als we afgaan op de afmetingen van de vijver op die kaart uit circa 1555 was deze ongeveer 37 x 62 meter. (ref 5) Dat is iets groter dan een shorttrackbaan van 30 x 60 meter en op zich voldoende ruimte voor een groep van 28 schaatsers. Op een baan van deze afmetingen is pootje-over mogelijk, al zijn daarvoor op hogere snelheid aangepaste schaatsen nodig. Zo snel als tegenwoordig zullen ze destijds niet zijn geweest, dus we mogen de techniek van het overstappen niet uitsluiten. Maar de hamvraag is: was daar wel sprake van?

Ronden? Bochten? Overstappen?

Hoe Herman Pleij op dat ‘groot aantal ronden’ is gekomen is mij een raadsel. In de Latijnse tekst wordt het rijden van ronden niet genoemd. Zelfs Letts rept er niet over. Hij gebruikt ‘to run a course’ (een baan afleggen) als veel te vrije vertaling van ‘depugnare’ (vechten of strijden). Ook een woord in de betekenis van ‘baan’ of iets dergelijks ontbreekt echter in de bron, laat staan hoe deze zou zijn uitgezet of afgebakend.

Terug naar de hamvraag. Als je geen ronden rijdt, hoef je ook geen bochten te lopen. Toch is er in de brontekst wel sprake van omdraaien of omkeren, zelfs tot drie maal toe. Maar omkeren doe je ook als je gewoon heen en weer rijdt. Daarvoor hoef je niet noodzakelijkerwijs de overstaptechniek te gebruiken.

Rijders

De rijders worden aanvankelijk aangeduid als ‘ministros’, dat dienaren, helpers, ondergeschikten of bedienden kan betekenen. Letts vertaalt hier met ‘courtiers’, hovelingen. Verderop in de passage worden deze dienaren meer gespecificeerd. Er wordt gesproken van ‘pedites’, voetvolk, dus militairen die te voet vechten, ofwel infanterie. Letts neemt ‘pedites’ niet letterlijk; hij omschrijft het woord met ‘they … fought on foot’. Ze vochten inderdaad te voet, maar het is belangrijk om te weten dat dit hun beroep was. Als soldaten waren ze ervoor opgeleid en in dienst van de hertog waren ze ongetwijfeld op hun kwaliteiten in de vechtkunst geselecteerd. Dat ze ook op schaatsen konden worden ingezet is verrassend, maar kwam naderhand wel vaker voor onder militairen.

‘Pedites’ zou ook als ‘mannen te voet’ kunnen worden vertaald. Dat is hier minder waarschijnlijk omdat ze schaatsen onder de voeten hadden. Ik kom er verderop nog op terug.

Schaatstype

De rijders reden hoogstwaarschijnlijk op prikschaatsen. Op het andere model dat gangbaar was in die tijd, de schaats met lange lage hals, hadden ze op de vrij beperkte oppervlakte lang zo goed niet uit de voeten gekund.

Een ijsbaantje. Geen rondjes. Geen bochten. Soldaten. Prikschaatsen. Wat voor soort wedstrijd zag toeschouwer/verslaggever Václav Šašek eigenlijk op het ijs te Brussel?

Om niet net als Pleij met hedendaagse ogen naar een voorval uit de late middeleeuwen te kijken, heb ik Fred Groot gevraagd om het bronbestand, de Latijnse bewerking van Šašek’s beschrijving van het ijsvermaak (Ref 6), zo letterlijk mogelijk te vertalen. Fred is naar eigen zeggen geen latinist, maar heeft in Kouwe Drukte 54 al eens aangetoond het Latijn goed te beheersen. Dit is zíjn interpretatie van het relaas van Šašek:

De hertog gaf opdracht aan een aantal knechten om de dierentuin binnen te gaan en met elkaar een gevecht aan te gaan op de bevroren vijver. Het voetvolk - achtentwintig in getal - probeerde elkaar zo snel en behendig beentje te lichten, zoals ik mensen nog nooit heb zien doen, noch dat ik het heb van horen zeggen. Vooral een van hen ging er zo snel en beweeglijk tegenaan dat hij zich het langst in z’n eentje staande wist te houden tussen tweeëntwintig kerels die elkaar aanvielen. Ze waren zó vlug in de rechte lijn en zó wendbaar als ze omkeerden dat niemands paard hen in volle vaart zou kunnen bijhouden. Ik was razend benieuwd om te weten te komen wat ze toch onder hun voeten bevestigd hadden, dat ze zich zo snel en behendig op het ijs konden omkeren. Want het zou een groot wonder zijn als zij op land een dergelijke snelheid bij het keren zouden kunnen behalen, wat ik zeker makkelijk had kunnen achterhalen. Maar ik kon mij niet losmaken van mijn heer, die vanaf de burcht met de hertog het gebeuren aanschouwde.

Laten we de Latijnse tekst eens langslopen.

De nadruk in de passage ligt bij 'convertendo' / 'convertere' dat omkeren, omdraaien betekent. Dit begrip wordt driemaal gebruikt, steeds vergezeld door 'celeritas' of de daaraan verwante woorden 'celeriter' en 'celeritate'; ze benadrukken de snelheid waarmee er gekeerd werd.

Opvallend genoeg vertaalt Letts slechts één keer met draaien ('turning'), één keer met het te algemene bewegen ('move') en de derde keer ontbreekt de vertaling geheel!

Afb. 4 – Beentje lichten, een worsteltechniek uit
Florius, de arte luctandi van Fiore de’i Liberi (circa 1410-1430). MS Latin 11269, folio 42r. Bibliothèque nationale de France, Paris, France

Daarnaast komt (een vervoeging van) het werkwoord ‘depugnare’ (vechten / strijden) tweemaal voor. Je kunt dit vechten natuurlijk figuurlijk opvatten, maar in samenhang met ‘pedites’ (voetvolk) en het woord ‘sustinuerit’ (je staande houden) vinden wij een letterlijke interpretatie hier meer voor de hand liggen. In een man tegen man gevecht, zonder wapens, probeer je elkaar te vloeren. Dit verklaart ook ons ‘beentje lichten’ of ‘onderuithalen’ voor ‘depugnare’. We zien deze vorm van vechten als de tegenhanger van je staande houden.

Verder geven de woorden ‘agilitate’ (behendig, lichtvoetig) en ‘in cursu velocitas’ (in volle vaart) aan dat je beweeglijk en snel moest zijn.

Samen komen Fred en ik tot de conclusie dat het hier geen snelheidswedstrijd betreft, maar dat het zeer aannemelijk is dat het om een winterse variant van een vechtspel gaat, passend in de riddercultuur, waarbij men elkaar op prikschaatsen (ref 7) probeerde onderuit te halen.

We denken hierbij aan een meute door elkaar heen krioelende soldaten die steeds kort aanzetten en op elkaar inrijden. Als ze elkaar al niet direct onderuit halen, keren ze razendsnel om hun as. Ze moeten wel, want de tegenstander doet hetzelfde. Ze pivoteren hierbij heel behendig op de prikpunt (afb. 5) die op de hals van de schaats was gesmeed. Deze techniek lijkt me niet eenvoudig. Ik vermoed dat de voetsoldaten er veel op zullen hebben geoefend. De vergelijking die wordt gemaakt tussen schaatsenrijder en paard betreft vooral de wendbaarheid bij het scherp keren. Voor pootje-over bochten rijden – als ze die techniek al beheersten (ref 8) - was het waarschijnlijk te druk om hen heen.

Afb. 5 Prikpunt op de hals van de schaats
Uitsnede schaats Haagse hofgracht, circa 1350-1450.
Afd. Archeologie Gemeente Den Haag HOF86 95.12

Daarom zal de snelheid in absolute zin ook niet zo hoog zijn geweest. Kennelijk was Šašek er toch van onder de indruk. Vergeleken met het voortbewegen op het ijs met schoenen of ijssporen zat er natuurlijk ook best veel vaart in. (Ref 9)

Behendigheid en snel reageren was een vereiste. Elkaar ontwijken was toegestaan. Wie het langst op de been bleef in deze mêlée won de ‘veldslag’. Of maakte in ieder geval de meeste indruk.

Zo zag de Duitser Julius Bintz het kennelijk ook. Hij geeft aan dat vooral een van hen zo behendig was dat hij 22 anderen, die hem grijpen wilden, een hele tijd van zich af wist te schudden. (ref 10) 

Iets verderop gebruikt Bintz ‘sich heruntertummeln’. Sich tummeln betekent zoiets als druk bezig zijn of, in dit geval als vertaling van 'convertere' (omkeren), heen en weer rijden, maar kan ook worden vertaald als stoeien of ravotten. Vanwege het voorvoegsel ‘herunter’ komt de gedachte op van een groep stoeiende kerels die proberen elkaar op het ijs te werpen. (Ref 11)

Elkaar pootje lichten op de schaats? Dat is voor ons wel heel erg andere tijden sport.(Ref 12) Maar bedenk dat het ging om ‘pedites’, voetvolk, infanteriesoldaten dus. Zeker in het staand leger van Filips de Goede zullen dit door en door getrainde en geharde krijgers zijn geweest. Uit de tekst blijkt niet dat ze wapens droegen, dus we mogen concluderen dat ze elkaar op prikschaatsen met ruige worsteltechnieken probeerden te bevechten. Vanwege de prikpunt op de hals van de schaats kon je grip houden op de gladde ondergrond. (Zie afb. 6). Worstelen behoorde tot de basisopleiding van ridders en soldaten; in praktisch alle middeleeuwse vechtboeken vind je er afbeeldingen van. (ref 13)

Afb. 6 Met de prikschaats had je grip op het ijs.
Uitsnede van Val van Lidwina op het ijs, 1498.
Catharijne Convent Utrecht

Zelfs als ruiter kon je, als je zonder wapen kwam te zitten, proberen je tegenstander door worsteling van zijn paard te trekken. ’s Winters imiteerde de jeugd die techniek: bij een van de meest populaire kinderspelen van de 16e en vroege 17e eeuw was het de bedoeling om elkaar van de prikslee te duwen of te sleuren. (ref 14)

Voor Šašek was zo’n vechtpartij niet vreemd. Op hun reis langs Europese hoven worstelde een ‘kampioen’ uit het Boheemse gezelschap herhaaldelijk tegen plaatselijke tegenstanders. Dat je ook op het ijs uit de voeten kon met deze vechttechniek was nieuw voor hem. Logisch … de Tsjech kende het fenomeen prikschaats niet. 

Het vechtspel dat wij uit de Latijnse tekst halen verschilt nogal van de ‘marathon’ bij Pleij. Misschien ging het in werkelijkheid ook wel iets anders toe. Als je ‘pedites’ niet als voetvolk interpreteert, maar als ‘mannen te voet’ en het strijden niet letterlijk maar figuurlijk neemt, zou het wellicht om een onschuldiger spel kunnen gaan. Een soort tikkertje op het ijs misschien. (Ref 15)

Met de onder Referenties toegevoegde bronvergelijking (Ref 16) kunnen de verschillende vertalingen onderling worden vergeleken.

Eigenlijk doet de ware toedracht niet eens zo ter zake. Waar het om gaat is dat het praktisch uitgesloten is dat er daar in Brussel in de late middeleeuwen sprake was van een hardrijderij, laat staan van een marathon zoals wij die tegenwoordig kennen. Deze opvatting strookt ook met de ontwikkeling die het schaatsen zou nemen: het zou nog eeuwen duren voordat hardrijderijen in de vorm van een groepsrace opgang zouden mak